Nieuwsbrief 2/2012        
           
 

Februari 2012

 

 

Stuur deze nieuwsbrief door naar iemand anders!
Klik hier!

 

U ontvangt deze nieuwsbrief geheel gratis en zonder verdere verplichtingen omdat u zich via onze website heeft opgegeven. Wilt u geen nieuwsbrieven meer ontvangen, klik dan hier.

   

Rembrandt
Tronie van een man met geverderde baret


Het schilderijenbezit van het Mauritshuis (Den Haag) is voor het grootste deel afkomstig uit het schilderijenbezit van Koning Willem V (1748-1806). De belangrijkste stukken verwierf Willem V door de aankoop van het vermaarde schilderijenkabinet van Govert van Slingelandt voor ƒ 50.000. Deze collectie bestond uit 41 werken van onder meer Rubens, Van Dyck, Gerard Terborch, Jan Steen, Gabriel Metsu, Adriaan van Ostade en Rembrandt (Afbeelding 1).

Afbeelding 1. Rembrandt – Tronie van een man met gevederde baret c. 1635-1640.
Paneel, 62,5 x 47,0 cm, Mauritshuis, Den Haag.

Dit schilderij van Rembrandt wordt een tronie genoemd. Tijdgenoten wisten onmiddellijk dat het niet om een werkelijk portret ging, maar om een fantasiefiguur. Populaire personages voor tronies waren mooie jongemannen, oude mannen, soldaten en oosterlingen. Rembrandt heeft hier een soldaat op z’n ‘antycks’ uitgebeeld. Typerend hiervoor zijn de (ingesneden) baret met (struisvogel)veren, metalen kraag en gouden sieraden. Ook de oorbel behoort tot de fantasie- uitdossing. In werkelijkheid droegen mannen in de 17e eeuw geen oorbellen.

Deze kostbaarheden moeten worden gezien als symbolen voor de vergankelijkheid en nietigheid van het aardse leven.

De fantasie-soldaten (in musea worden ze tegenwoordig meestal officieren genoemd) waren in de 17e eeuw bekende types. In toneelstukken waren ze een vaste waarde. Als capitano’s speelden ze de ijdele, arrogante en stoere casanova’s die indruk probeerden te maken op de 'locals'. Maar als het erop aan kwam bleken het lafaards, 'watjes', te zijn. Rembrandt heeft deze karaktertrekken raak getroffen, onder andere door de hooghartige wijze waarop de man op de toeschouwer neerkijkt. Die expressie wordt nog eens versterkt door de draaiing van het hoofd.

Het kwam vaak voor dat de schilder zichzelf als model voor een tronie nam. Dit was makkelijk en goedkoop. Deze 'zelf portret -tronies' waren erg in trek. De koper kreeg op deze wijze het zelfportret van de schilder er 'gratis' bij. Ook bij dit schilderij heeft men lang gedacht, en denkt men nog steeds, dat Rembrandt hier zichzelf heeft afgebeeld. De gelijkenis is volgens deskundigen echter te oppervlakkig.

Rembrandt schilderde zijn tronies altijd vrij ruw en grof met zwierige en brede penseelstreken. Zo ook deze tronie waar de achtergrond in één keer is opgezet. Overal is nog de warm beige ondergrond te zien. Dit is kenmerkend voor het uit de losse pols in één keer opzetten van een laag verf. Het schilderij is waarschijnlijk in een zeer kort tijdsbestek geschilderd. In feite is dit paneel geschilderd met vier hoofdkleuren: loodwit, bruine en gele oker en lampenzwart. Dit waren beproefde, goedkope en veel gebruikte pigmenten in de 17e eeuwse schilderpraktijk. Rembrandt gebruikte alleen voor de hoed en huid nog een minimale hoeveelheid rode pigmenten: vermiljoen, rode oker en rode lak.

Er wordt vaak aangenomen dat het gebruik van zo’n beperkt palet ontstaan is uit puur economische redenen. Kleurrijke en ingewikkelde composities (zoals bij Rubens) zijn tijdrovend en gebruiken dure en 'moeilijke' pigmenten zoals groenen en blauwen.

Om aan een stijgende vraag te voldoen zonder stijgende kosten, zou het 'moderne' schilderen opgekomen zijn: beperkt palet, goedkope aardkleuren en vrijwel 'alla prima'¹, zonder 'doodverven', direct vanuit de schets opwerken van het schilderij. De productie kon zo fors omhoog zonder extra kosten. Rembrandt stond aan het hoofd van een werkplaats waar veel leerlingen werkten. Alles stond in het teken van productie. Rembrand die in zijn tijd bekend stond om zijn 'geldlievendheid'², koos ongetwijfeld voor deze 'moderne' methode om sneller en goedkoper te kunnen werken.

Noten

¹Alla prima: met deze Italiaanse term worden schilderijen omschreven die in een korte tijdspanne worden gemaakt in één arbeidsfase, zonder droogtijden. Werken in deze snelle, virtuoze schildertechniek komen meestal tot stand met vrij bindmiddelrijke verven die gemakkelijk op de drager kunnen worden uitgestreken. Ook wel 'ten eersten op schilderen' genoemd. Namelijk, het zonder gedetailleerd uitgewerkt plan, eerst een losse en schetsmatige monochrone ondermodellering aangebrengen, en daarna het schilderij met sneldrogende bruine- en grijstonen snel afmaken.

²En nogtans was hy (geldgierig luid niet wel) zoo geldliefdig dat zyne Leerlingen dit bemerkende, by wylen uit potsery op den vloer of elders, daar 't hem in 't oog moest komen, stuivers, dubbeltjes, schellingen enz. schilderden, daar hy dikwerf de hand vergeefs naar uitstak, dog verlegen zynde, daar van nooit iets deed merken.
(uit: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 1718-1721).

Bronnen

1. Epco Runia en Ariane van Suchtelen, In het Mauritshuis, Uitgeverij Waanders b.v., Zwolle, 2006.
2. Lyckle de Vries, Verhalen uit kamer, keuken en kroeg, Salomé-Amsterdam University Press, 2005.
3. Christopher Brown, Jan Kelch en Pieter van Thiel, Rembrandt: De meester en zijn werkplaats. Schilderijen, Rijksmuseum-Waanders Uitgevers, Zwolle, 1992.
4. Arie Wallert, Moderne schilderen in de zeventiende eeuw, Kunstschrift, 2005, nr.3.
5. Monica Rotgans, Verf. 500.000 jaar verf en schilderkunst, Uitgeverij Terra Lannoo, Warnsveld, 2005.