Nieuwsbrief 05/2009        
           
 

Mei 2009

Rembrandt en het Joodse bruidje
 

Stuur deze nieuwsbrief door naar iemand anders!
Klik hier!

 

U ontvangt deze nieuwsbrief geheel gratis en zonder verdere verplichtingen omdat u zich via onze website heeft opgegeven. Wilt u geen nieuwsbrieven meer ontvangen, klik dan hier.

   

Rembrandt en Het Joodse Bruidje

Rembrandt (1606-1669) begon zijn carrière als fijnschilder. Hij was de grondlegger van de school van de zogenoemde Leidse fijnschilders. Kenmerkend voor deze school was het gebruik van een haast onzichtbare penseelstreek; een zeer fijne techniek die ‘met engelengeduld en mierenvlijt' een uiterst precieze weergave opleverde.

Rembrandt is echter vooral beroemd geworden door zijn latere ‘ruwe' pasteuze, onaffe manier van schilderen. Vooral zijn schilderijen vanaf 1652 lijken, zoals Ernst van de Wetering, de grote Rembrandt kenner het omschrijft, eindeloos ‘in statu nascendi' (in staat van wording) te verkeren.

Rembrandt bleef doorgaan met de al in zijn tijd naar zijn naam bekende schildertechniek ‘op zyn Rembrandts' i.c. ‘dat het sap gelyk drek langs het Stuk neer loope', terwijl het in deze periode juist mode was om glad, effen en ‘af' te schilderen. Veel van zijn schilderijen uit die tijd lijken onvoltooid. De schildersbiograaf Houbraken, tevens tijdgenoot van Rembrandt, zegt hierover dat delen van zijn schilderijen ‘ten uitersten uitgevoert waren' , maar dat de rest als met een ‘ruwe teerkwast was aangesmeert'.

Een bekend voorbeeld van deze ‘kladdery' is één van zijn meest bewonderde schilderijen Het Joodse Bruidje (Afbeelding 1). Dit schilderij lijkt eerder het resultaat te zijn van een geologisch proces, zoals Ernst van de Wetering opmerkt, dan een schilderij met een door een mensenhand aangebrachte verf.

Afbeelding 1. Het Joodse Bruidje, ca. 1665, Rijksmuseum, Amsterdam.

De achtergrond is snel en zonder detaillering geschilderd. De belangrijkste delen van het schilderij zijn daarentegen in dikke verf, in reliëf, en vaak met het paletmes aangebracht. De parels en juwelen maken daarom een driedimensionale indruk. Het meest opvallende onderdeel van het schilderij is de goudgele mouw van de man, waar de verf in klonters uit het oppervlak lijkt te steken.

Tot voor kort was niet bekend hoe Rembrandt dit gedaan heeft. De verf ligt er plaatselijk heel dik op, maar er is geen kwaststreek te zien. Van de Wetering vermoedt dat Rembrandt dit effect bereikt heeft door het vel van een pot loodwit af te trekken en stukken daarvan op de mouw van de man aan te brengen. Daarna schilderde hij er een dunne laag gele verf overheen (Afbeelding 2).

Opvallend is ook dat de handen ‘vaag', 'onaf' zijn. De rug van de hand van de man heeft een gedeeltelijk rul oppervlak. De vingernagels zijn niet geschilderd (Afbeelding 3). De vaagheid die daardoor wordt bereikt, suggereert weer beweging en gebaar.

Afbeelding 2 (links). Stukjes vel loodwit. Overgeschilderd met dunne laag gele verf.
Afbeelding 3 (rechts). Handen. Vingernagels zijn niet geschilderd.

Bronnen:
1. Ernst van de Wetering, Rembrandt. Zoektocht van een genie, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2006.
2. Hans den Hartog Jager, De sensatie van echt licht. Gesprek met Ernst van de Wetering, Special NRC Handelsblad, 7-1-2006.
3. Christopher Brown, Jan Kelch en Pieter van Thiel, Rembrandt: De Meester en zijn werkplaats, Rijksmuseum Amsterdam, Waanders Uitgevers, Zwolle, 1992.